Archive | November, 2012

De rang niet de man

28 Nov

Tegenwoordig is Barack Obama president van de wereld. Veel broeders en zusters uit onze Amerikaanse zusterkerken vinden dat vreselijk. Gereformeerde Amerikanen zijn namelijk als regel politiek conservatief en stemmen republikeins. Democraten zijn links en socialistisch en trekken te veel macht naar de federale overheid, en zo zijn er nog wel een paar zonden.

Dat wil niet zeggen dat er in gereformeerde kerken in de Verenigde Staten niet wordt gebeden voor Obama. Hij staat aan de top van de wettige overheid en die is volgens Romeinen 13 de dienares van God.

Ik hoorde iemand met een voorbeeld uit het leger uitleggen hoe dat kan. In een bepaalde compagnie was een van de hoogste officieren een heel vervelende man. Hij behandelde zijn ondergeschikten gemeen en vernederde ze op een kwetsende manier waar iedereen bij was. Een van de sergeanten was een geliefd doelwit van de pesterijen van deze officier, en daardoor had hij een enorme hekel gekregen aan deze meerdere. Ook zijn vrouw had dat gemerkt. Bij een feest in de kazerne had de sergeant dienst. Hij moest de gasten aan het begin van de rode loper opvangen als ze uit hun auto stapten. Toen de jeep met de pest-officier arriveerde, begroette hij die vreselijke man volgens de regels van de kunst. Met het verplichte geblaf, hakkengeklak, de hand strak aan de pet en de ogen blind in de verte. Zijn vrouw zag dat van een afstandje gebeuren en vroeg hem later hoe hij dat voor elkaar had gekregen. Zijn antwoord: ik groette de rang, niet de man. Zo kun je bidden voor de president, en een hekel hebben aan alle democraten en hun ideeën.

Obama kan een hele sympathieke man zijn, maar als president is hij verschrikkelijk in de ogen van een republikein of een christelijke conservatief. Zolang er een democraat zit op de mooiste en de machtigste zetel van de wereld, is die zetel erger dan vacant. Die zetel wordt bedorven. Dat bederf wordt pas gestopt zodra er weer een republikein op zit. Misschien hebben zulke gevoelens ook in gereformeerde kringen geleefd in de paarse tijden.

Hoe gaat dat eigenlijk bij dominees? De positie van predikant heeft ook een zekere symboolwaarde. Hij is een persoon in een ambt.

Wat doe je als je broeders en zusters hoort zeggen dat ze je als predikant hoog hebben, maar dat ze met je persoon niet uit de voeten kunnen? Dat klinkt alsof er wel de bereidheid is om je als drager van je ambt te respecteren. Ze zullen bidden voor de dominee. Maar wat vragen ze de Here voor Kees, of Piet? Hij is de verkeerde man op een eerwaarde positie. Hoe lang houdt iemand vol te zeggen: je preekt vaak heel fijn, maar je hoeft niet langs te komen?

Of wat doe je als je gemeenteleden tegen je zeggen dat ze best met je bevriend zouden kunnen zijn omdat ze je aardig vinden, maar dat ze je voorlopig mijden omdat je als predikant dingen doet die ze niet pruimen? Ze zullen pogingen ondernemen om je geschorst te krijgen, en bezwaren tegen je indienen. Je bent een sympathieke man maar als predikant ben je een mislukking. Hoe lang lukt het de dominee wel op je verjaardag uit te nodigen, maar het avondmaal te weigeren als hij het bedient?

Dat zijn lastige dingen. Je bidt of je zulke zusters en broeders met de liefde van Christus mag leren liefhebben. Ondertussen vraag je je af: kan ik eerlijk de samenkomst bij de begrafenis van zo’n zuster of broeder leiden? (Niet dat ik naar die dag verlang natuurlijk).

Jij kunt niet iemand anders worden. Dat is simpel. Je kunt misschien wel je manier van werken veranderen. Da’s tobben. Maar los je daar het probleem van dit type kritiek mee op?

Ik weet het niet. Wat hebben de critici gemeenschappelijk? Ik denk dat ze in werkelijkheid nooit iets met je willen krijgen. Een tweezijdige verhouding met zo’n levende man is alleen maar hinderlijk, die vertroebelt de zuivere kijk op de zaak. Het gaat hun om de predikant zoals jij volgens hen moet zijn, de predikant die in hun hoofd zit. En die niet in hun gemeente staat, en ook al niet in jouw schoenen.

[Pro Ministerio 38,1 (apr 2009) blz.10-11]

Advertisements

Kerkbeeld

20 Nov

Tegenwoordig heb ik een kantoorbaan. Ik ben synode-afgevaardigde.

Ik zit hele dinsdagen, woensdagen en donderdagen verslagen te lezen, na te denken, op meningen te broeden, gevolgen in te schatten. Op vrijdag maken we in Harderwijk een dag van 12 uur. Op zaterdag 7 uur. Op zondag een paar diensten. Dat betekent zondagavond laat uitpuffen en maandag in een lage versnelling op gang komen.

Dat doe ik. Ondertussen raak ik los van mijn gemeente (die ‘spreek’ je op zondag nauwelijks meer), van mijn familie (de zaterdagen zijn al vol). Een andere wereld vult mijn hoofd. Wat doet de synode met mij?

Ik heb mijn principes. Dingen die ik belangrijk vind voor de kerk. Zaken waar ik me aan stoor. Onderwerpen waar ik wat mee kan, of juist niet. Bladen naar mijn zin, schrijvers die ik mijd. Websites waar ik wegblijf. Ik voel me thuis in mijn kerk. Natuurlijk, dat is een constructie. Er loopt in de alledaagsheid van alles doorheen wat er niet in past. Daar is mee te leven. Je komt een heel eind met een beetje beleefd beperkte belangstelling. Mijn luie stoel wacht wel.

De synode is een laboratorium. Mijn kerkbeeld staat op kweek. Her en der gisten uitstrijkjes en mijn verdunningen pruttelen boven allerlei vuurtjes.

Mijn kerkje staat in een drukke stad, rond een enorme theologische universiteit. Door de straten scheuren kerkstichters. Drommen emeriti, poortwachters en deurwaarders. Commissies ruimen vuil op. Profeten bedienen rode en groene lichten en roepen op tot afkeer of inzet. Er is een keur aan winkels. Op elke straathoek is er een loket. Op ieder kruispunt in het centrum vind je wel een steunpunt. In gettoachtige buurten huizen broedersoorten die ik al jaren niet meer gespot heb. Overal werk in uitvoering, huizen half af, straten overhoop. Opruiende graffiti. Vanuit het centraal station zwermen verre verwanten van over heel de wereld uit over de stad.

Welke taal spreekt hier de liefde voor de Heer van de kerk? Ik kan hier mijn principes niet gebruiken om de rest uit de buurt te houden. Ik heb niks aan mijn oordoppen, en aan mijn zonnebril. Ik heb mijn oren, mijn ogen, mijn hart en mijn ziel nodig, al mijn liefde voor Jezus om mezelf te dwingen tot zelfbeheersing en verantwoording, tot bereidheid om te luisteren. Mijn kerkje moet op de schop. Ik moet me in laten bouwen in de kerk die Jezus in Nederland neerzet.

Ik doe die oefening vaker, maar als teamsport is het ingewikkelder.

[Pro Ministerio 40,3 (jun 2011) blz. 10]

De grote hoop

15 Nov

Het moet gebeurd zijn in de Middeleeuwen of daarvoor nog. Het vuil lag op straat. De mensen leefden met de ratten tussen hun afval. Iedereen was arm. Er werden nog grappen gewaagd aan de duivel, ook smerige. Geld was toen het slijk der aarde. Met wat overdrijving beland je dan al gauw bij de ontlasting van de duivel.

De pastores en de huisartsen van Soest zouden elkaar een keer ontmoeten. Kennismaken is aardig, zelfs nuttig, maar het moet ook ergens over gaan. We zochten een onderwerp op het snijvlak van artsenwerk en het aandachtsveld van pastores.

De duivel schijt altijd op dezelfde hoop’, zei iemand, is dat misschien iets? Vraagtekens op de voorhoofden. Nou, sommige mensen zitten altijd in het hoekje waar de klappen vallen. Je kunt het zo erg niet bedenken of ze krijgen er mee te maken. Hoe reageer je daar nou op? We kennen allemaal wel zulke mensen. Daar hebben we vast ook allemaal onze eigen vragen bij.

Het onderwerp werd ‘zingeving’.

Achteraf zocht ik die uitdrukking op in Huizinga’s Spreekwoorden en gezegden (de editie van Tirion, Baarn 2004). Onder het trefwoord Duivel vond ik bij nummer 2235 o.a.: ‘De duivel schijt altijd op een grote hoop (ook: de grootste hoop). Slechts zij, die geld hebben, krijgen er geld bij; die heeft, die zal gegeven worden.’ Het is een plastische verwoording van de waarneming dat geld altijd bij dezelfde mensen terecht komt.

Jaloezie kun je vermommen door wat je begeert verdacht te maken. Rijkdom komt uit het secreet van de duivel. Rijk zijn in een arme wereld is voor het gevoel van de mensen een grote onrechtvaardigheid. Met een knipoog en een zucht kun je dat spiritueel duiden: hoe gelukkig ben je als je wordt bedolven onder de shit van de duivel.

Er is sinds de Middeleeuwen dus het een en ander verschoven in het werk van de duivel. Hij strooit z’n gaven ergens anders. Wij wonen in de herenhuizen en hij is verhuisd naar het ziekenhuis. Tegenwoordig is rijkdom onze eredienst, en hebben we recht op geluk hier en nu. Ons lichaam is onze ziel.

Als er geen deur naar de hemel open staat, is elke hel even erg. Eén pot nat.

[Pro Ministerio 38,4 (dec 2009) blz. 10]

Hannes

12 Nov

In de winter van 2009-2010 bekeek ik met collega’s ‘Zelle’. Onder de vlag van het Friese gezelschap Tryater hadden regisseur Hans Man in ‘t Veld, acteur Freark Smink en organist Hoite Pruiksma een stuk gemaakt over ds. Johannes Hendrikus Zelle (1907-1983).

Hannes studeerde in 1944 af als kandidaat in de theologie aan de Vrije Universiteit. Van 1949 tot 1956 was hij predikant van de Gereformeerde Kerk van Rockanje. Daarna ging hij met vervroegd emeritaat (reden: ernstig verstoorde verhoudingen). Hij ging weer bij zijn moeder wonen. Hij bleef preken.

Hemelvaartsdag 1983 verscheen hij niet voor de dienst in Munnekezijl. Hij werd door twee politieagenten thuis dood achter zijn bureau gevonden. De ene politieman was Willem van der Veen (die een boek over hem schreef waarvan in 2009 een nieuwe editie verscheen), de andere – zo is me verteld – was een zekere Dirk Scheringa.

Zelle trok veel volk. Kwamen de mensen voor zijn boodschap? Ook voor zijn karakterkop, zijn bulderstem, zijn oneliners (‘Lot was een randfiguur’). Smink was nieuwsgierig geworden omdat Zelle’s zondagse verhaal wel eens haaks stond op zijn doordeweekse praktijk. Op de kansel ging het van vrede tussen de mensen, maar in de Gysbert Japicxstraat in Leeuwarden maakte hij met iedereen ruzie. Bij voorbeeld.

Hij had een ijzersterke act, maar wat zou hij ervan gemeend hebben? Smink geeft die vraag wel vlees op de botten, maar laat ’m uiteraard staan.

Smink maakt van preekflarden, een stuk gebed voor een betere overheid, een opname van een kerkdienst, de roddels van de buren, monologen tegen Hannes’ moeder, het contrast tussen ‘‘t Hijgend hert der jacht ontkomen’ en ‘Geloofd zij God met diepst ontzag’ een boeiend portret.

Het publiek keek naar folklore uit een voorbije tijd. Hemel ja zeg, toen ging het nog over de hel!

Mij bracht Smink terug naar een type kerkdienst dat me heel vertrouwd is uit de tijd dat ik met mijn vader en moeder naar de kerk ging. Sterker nog, hij speelde van een script waar ik zelf ook nog in gekropen ben: de liturgie van Middelburg, met tussenzang uit 1773. Ik keek in mijn eigen wereld, maar dan als toneelstuk.

Als ik voorga in een kerkdienst speel ik een rol. Ik zeg niet: ik speel toneel. Ik sta wel op een plek die puur voor dat optreden gemaakt is. Ik draag een pak dat ik speciaal voor deze gelegenheid heb gekocht. Ik spreek een taal die ik alleen daar spreek. Ik vertel een verhaal dat nergens anders verteld kan worden.

Ik treed op als dominee. Ergens in die dominee zit ik zelf. Het is mijn stem, het zijn vaak mijn teksten. Maar wie staat daar nou precies te preken, te bidden en te zegenen? En wat ik daar zeg, zeg ìk dat? Kan ik uit mijn rol vallen?

Hm. Toch eens met mijn regisseur praten.

[Pro Ministerio 39,1 (jan 2010) blz. 10 – iets gewijzigd]

Een levensbeschrijving van Zelle geschreven door Marten Mulder is te vinden op http://www.dodenakkers.nl/beroemd/religie/217-zelle.html. Het boek van de toenmalige agent Willem van der Veen: Johannes Hendrikus Zelle (1907-1983). Volksverhalen over een legendarische predikant (nieuwe editie), Kampen: Kok, 2009. Voor videofragmenten met Freark Smink en ‘Zelle’ kun je zoeken op www.youtube.com met de trefwoorden: Freark Smink Zelle. De hele Friese versie van het stuk is opgenomen op de DVD ‘Dominee Zelle’ (Nederlandse ondertiteling als optie) en te koop bij http://sjop.omropfryslan.nl.

‘t Ik

5 Nov

Je zult de grap wel eens gehoord hebben. Vraagt een juf in groep 3 van een gereformeerde basisschool: weten jullie hoe God eruit ziet? Een van de jongetjes steekt zijn vinger op en vertelt: ‘het is een oudere, kale meneer met een bril en een baardje, en met een zwart pak aan.’ Juf zet grote ogen op en vraagt: hoe weet je dat, Brian? Brian: nou, zo ziet de meneer eruit die elke zondagmorgen in de kerk tegen ons zegt: ‘Ik ben de Here, uw God…’

In een kerkdienst spreekt de voorganger teksten in de eerste persoon uit die niet per se over hemzelf gaan, maar die bij een van zijn rollen horen.

‘En Ik voed en verkwik uw hongerige en dorstige zielen met dit mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven’ (in de parafrase van de tekst waarmee Jezus het avondmaal instelde, in het klassieke avondmaalsformulier)

‘Daarom zal ik, met mond en hart, de lof van de Here verkondigen van nu aan tot in eeuwigheid. Amen’

‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde’

De dominee valt niet 1 op 1 samen met ‘t ik dat hij spreekt.

Als hij de woorden van God of van Christus aanhaalt of parafraseert al helemaal niet. Maar ook niet als hij de model-gelovige vertolkt, zoals in de persoonlijke gelofte van lofprijzing na het avondmaal. Of als hij de man of vrouw die hij heeft willen aanspreken, sprekend invoert: de dankbare (‘loof de Here, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam’), de wanhopige (‘mijn schande staat mij steeds voor ogen’) of de bekommerde (‘Ik, ellendig mens’).

Of als hij de ongelovige reactie op Gods woord onder woorden brengt (‘wat moet ik met zo’n God?’) of de kleingelovige (‘ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’). Of als hij zich verplaatst in de persoon over wie het gaat: de profeet Jona, de Farizeeër in een evangelietekst, of de joodse man die reageert op de pinksterpreek van Petrus.

De kunst zal zijn dat ‘ik’ in mijn preek zo te gebruiken dat de mensen niet aan mij denken, maar aan de (niet altijd werkelijk bestaande) persoon van wie ik de woorden in de mond neem. Dat kan ik met inleidende woorden doen. Ik kan een heel andere stem opzetten. Ik kan de tekst van het ene personage uitspreken in de ene hoek van de kansel en de andere rol in de tegenoverliggende.

Maar de kerkganger dan die dat te ingewikkeld vindt? De luisteraar die ervan uit gaat dat de predikant die in zijn preek in de eerste persoon spreekt, het per definitie over zichzelf heeft? Die zich daar misschien zelfs aan ergert? Als de dominee aan het eind van de avondmaalsviering zijn rug recht, zijn rechterhand op zijn hart legt, schuin naar boven kijkt en zegt: ‘daarom zal ik met hart en mond de lof van de Here verkondigen van nu aan tot in eeuwigheid’, vraagt die zich vast af: wat heeft hij meegemaakt dat ik gemist heb?

[Pro Ministerio 39,3 (jul 2010) blz. 13]

Loyaliteit

3 Nov

Op 18 oktober 1944 is veldmaarschalk Rommel begraven in Ulm, Duitsland. Hij was betrokken geweest bij een samenzwering tegen Hitler. Op 20 juli was de aanslag op Hitler mislukt en Rommel werd gepakt. Hij kreeg de keus: een proces of zelfmoord. Hij koos het laatste. De menigte in Ulm was wijsgemaakt dat deze grote soldaat overleden was aan een verwonding bij de verdediging van zijn vaderland.

Was dat laf van Rommel? Waarschijnlijk niet. Hij zal zijn land oprecht een dienst hebben willen bewijzen. Hij zag af van verder verzet tegen het regime dat zijn geliefde volk de afgrond in voerde. Deze houding lag dichtbij het respect en de trouw voor de Duitse natie die hem in zijn opvoeding was bijgebracht. Deze ingesleten loyaliteit kon hem kennelijk zover krijgen dat hij uiteindelijk het Hitler-regime dat hij had willen vernietigen, van dienst was, en de mensen voor wie hij had willen vechten, bedroog.

Hij overstemde zijn geweten.

Hoe zal dat ooit voor Luther hebben gelegen? Of voor Calvijn. En voor… Waar is je loyaliteit als je de leiding van de kerk kritisch aanspreekt? Wat moet er gebeuren voordat iemand die Christus wil dienen, bereid is de kerk te ontregelen met het protest van zijn geweten?

Een dominee zal zijn mensen toch lang trouw willen blijven. Dat is er bij ons ingehamerd.

Je moet sterk in je schoenen staan om de conclusie te kunnen trekken: ik moet ingaan tegen leidinggevenden in de kerk om de mensen die mij zijn toevertrouwd, trouw te blijven. Ik denk dat je vertrouwd moet zijn met je schapen en een grote persoonlijke betrokkenheid bij de inzet van Jezus en een scherpe kijk op de eer van deze herder met een hoofdletter moet hebben om in je kerkelijke omgeving de wolf te kunnen ontmaskeren die de kudde in gevaar brengt.

Hoe zal het de collega vergaan die zegt: om mijn Zender trouw te blijven, moet ik mijn mensen tegen jullie beschermen, broeders? Ik zou geweldig opzien tegen zo’n hartverscheurend dilemma. Alleen al om de verdenking dat je je terugtrekt op Christus om je boven alle kritiek te verheffen. Al is volgens jezelf jouw positie niet de zaak in geding, maar de mensen voor wie je wilt zorgen.

Niet iedereen is geroepen om de zonderling te zijn die met blote handen tegen het monster vecht, zou ik waarschijnlijk heel lang tegen mijn geweten zeggen.

Maar de vraag is, of je keus hebt.

[Pro Ministerio 38,3 (sep 2009) blz. 9]