Doki

28 Nov

We zijn te gast. We zitten in de kamer. Een stelletje dominees.

We hebben het over mobiliteit. Hoe lang je in een gemeente moet blijven werken. Tien jaar. Acht jaar. Zes jaar. Of nog minder als daartoe aanleiding bestaat…

De kerkenraad en de predikant gaan na zes jaar praten over de ‘evaluatie van de ambtstermijn’, zegt de Handreiking functioneringsgesprek predikant (april 2015). Over een belangrijk onderwerp als dit moet je over en weer naar duidelijkheid streven.

Dat heeft weer te maken met de Materiële regelingen regelingen predikanten 2016-2017 van het Steunpunt Kerkenwerk (december 2015). Daarin staat (IV.4): ‘In het belang van predikant en kerkenraad / gemeente dient de ambtsperiode na een periode van zes jaar (of eerder indien daartoe aanleiding bestaat) en daarna twee-jaarlijks te worden geëvalueerd.’

Er spelen dus belangen. Het belang van de kerkenraad en van de gemeente (en die twee moeten dan ongeveer samenvallen). Ons belang ook. Dat het werk in dienst van de Heer goed wordt gedaan, is heel belangrijk.

Waar je dan op let. Wat er dan speelt. Het raakt ons. We worden warm.

Er komt een jongetje binnen. Een ventje van een jaar of vijf schat ik. Hij blijft bij de deur staan en kijkt verbaasd naar de vreemde grote mannen en hun rumoer.

Het is een domineeskind. Dit is duidelijk zijn huis. Zijn ogen zoeken. Ze vinden houvast aan zijn vader.

Het kind loopt midden tussen ons door. Behoedzaam. Zo veel mogelijk onder onze radar. Het gesprek koelt af.

Het mannetje gaat naast zijn vader staan, onze gastheer. Die slaat zijn arm om het kind heen. Hij omhelst zijn doki.

Geluidloos dwarrelen allerlei belangrijkheden naar de grond.

 

[Pro Ministerio 45/2 (apr 2016) p. 10]

noot: in domineesland kom je de afkortingen dozo (zoon van een dominee), dodo (dochter van een dominee) en nu dus ook doki (kind van een dominee) tegen.

Advertisements

Jan Koelewijn

19 Jul

Soms zet een naam je op het verkeerde been. Als je door Doodstil fietst, denk je: wat raak! De rust in dit uitgestorven oord wordt door niets gestoord. Een prima plek voor een koel glas wit.

Maar Doodstil is: de til van Doede (spreek uit: Doode) of Dodde. Denk aan familienamen als Doddema en Doedens, en aan voornamen als Doeke, Doekle en Duko. Doede is wat ooit kinderen die het praten oefenden, maakten van een naam als Ludolf. Dode is wat heet een bakernaam, kindertaal, een woord van het type mama, papa, toetoe, dada.

‘Til’ of ‘tille’ is een noordelijk woord voor een houten brug, dat vaker in plaatsnamen voorkomt.

Toen de spelling van het Nederlands nog niet was geüniformeerd, kon een lange ‘o’ geschreven worden als ‘oi’, ‘oe’ of ‘oo’. Op de duur werd verdubbeling de meest gangbare manier om een lange klinker te schrijven. Alleen, de ‘oe’ of ‘oi’ voor ‘oo’ was soms al ingeburgerd in namen van plaatsen (Oisterwijk, Soest) of mensen.

Ook ‘Koelewijn’ heeft ooit geklonken als Koolewijn. De naam heeft niets te maken met een glas wit. Hij is samengesteld uit ‘kool’ en ‘wijn’. Kool is een verkorting van de naam Nicolaas. Die vind je ook in familienamen als Coolen (Brabant) en Koole (Zeeland), van een vader Kool. Denk ook aan Koeleman, een vleivorm als Neleman (van Cornelis) en Janneman. Net als bij Doode heb je ook bij Koole een vorm met de korte o gevolgd door een dubbele medeklinker: Kolle. De naam Kollewijn is vermaard in de geschiedenis van de Nederlandse spelling.

Het element ‘wijn’ (win) betekent ‘vriend’. We zien het in de namen Boudewijn, Alewijn, Wijnoud (komt als familienaam ook voor in de spelling Wijnhoud, ‘vriend van de machthebber’).

De naam Koelewijn betekent dus ‘vriend van Nicolaas’. Ik stel me voor dat je met zo’n naam je familie of je kind aanbeveelt in de gunst van een heilige of een heerser.

De familienaam Calvin (zeldzaam in Frankrijk) of Cauvin (iets minder zeldzaam) wordt herleid tot een dialectische variant van Chauvin (waarin we chauve herkennen, de Franse vorm van het Latijnse calvus, ‘kaal’). De betekenis van die naam zou dan ‘kaalkop’ of – waarschijnlijker – ‘bewoner van een kaal stuk grond’ zijn.

Toch zou het me niet verbazen als de oorsprong van deze familienaam niet in het Zuiden, in het Latijn, maar aan de noordkant moet worden gezocht. Jehan Cauvin of Jean Calvin kan heel goed de Noord-Franse versie zijn van Jan Koelewijn.

[PM 45,1 (feb 2016) p. 10; Bun Historiael 37,2 (jun 2016) p. 82]

Even ontzingen

8 Feb

In de bijbel staan geen muzieknoten, zelfs bij de psalmen niet.

In de liturgieën van de Reformatie vinden we geen muziek.

Er wordt niet gezongen. We vinden geen koor.

 

We zoeken contact met God.

We ontvangen zijn zegen.

We groeten.

We erkennen schuld.

We ontvangen vergeving.

We lezen de schrift.

We zoeken naar Gods wil.

We spreken ons geloof en ons vertrouwen uit.

We beloven trouw.

We danken.

We prijzen de Heer.

We geven uiting aan blijdschap, verdriet, verlangen, wanhoop.

We leggen verzoeken voor aan God.

We ontvangen Christus.

We ontmoeten elkaar.

We offeren onszelf aan de Geest.

We stellen vragen.

We reageren.

We laten een gift achter.

We ronden de dienst af.

 

Dat doen we zo ongeveer als we samen komen voor een dienst.

 

We zouden dat allemaal in stilte kunnen doen, in gedachten.

We zouden het met woorden kunnen doen.

We zouden het elk voor onszelf kunnen doen.

We zouden het gezamenlijk kunnen doen.

We zouden het samen sprekend kunnen doen.

We zouden het samen roepend kunnen doen.

We zouden er zelfbedachte formuleringen voor kunnen gebruiken.

We zouden het met teksten kunnen doen die aan onze vertaling van de bijbel ontleend zijn.

We zouden het met altijd dezelfde woorden kunnen doen.

We zouden dat kunnen improviseren.

We zouden het bij monde van een woordvoerder kunnen doen.

We zouden het in groepsgewijze afwisseling kunnen doen.

We zouden daarbij elkaar kunnen helpen in de maat te blijven door met ons bovenlijf te wiegen, op onze knieën te trommelen, in onze handen te klappen, of met onze voeten te stampen.

 

Er staat van alles op de agenda van de kerkdienst.

Er zijn honderd manieren om die dingen te doen.

Zingen zou daarbij van pas kunnen komen; muzikale begeleiding zou handig kunnen zijn.

Maar ze staan niet op de liturgie.

2015 in review

30 Dec

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2015 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

A San Francisco cable car holds 60 people. This blog was viewed about 610 times in 2015. If it were a cable car, it would take about 10 trips to carry that many people.

Click here to see the complete report.

Herbelijdenis

2 Dec

Joost van den Brink vertelde ons (‘Waarom zou je niet twee keer gedoopt kunnen worden?’, ND-Gulliver 26 juni 2015) hoe gelukkig hij was geworden van zijn ontdekking dat je best twee keer gedoopt kunt worden, nl. als baby van gelovige ouders en als volwassen gelovige.

Hij zet de doop in het proces van onze redding door Jezus Christus. Hij ziet daar twee fasen in: (1) Christus biedt zich aan aan ons; (2) wij nemen Hem aan door de Geest. De babydoop zegt: God gaat je vanaf vandaag redden. De gelovigendoop vertelt: ik ben beschikbaar om gered te worden. Dat maakt ze allebei onvolledig. Ze horen bij elkaar.

Hoezo twee fasen? Jezus redt me door zich aan mij te verbinden. Wat hij begint keert naar hem terug: mijn liefde. Een overzichtelijk gefaseerd proces? Nee, want mijn inbreng is wankel. Mijn liefde kan verslappen, zelfs verdampen.

De wederhelft van de babydoop, de geloofsbelijdenis, is bij ons versteend. We doen één keer belijdenis. Maar: in onze samenkomsten is er alle gelegenheid om onze belijdenis te vernieuwen. Bij voorbeeld bij de verbondsvernieuwing rond de herhaling van Gods belofte en wet in de morgendienst. Of bij de aanloop op de avondmaalsviering.

Vertelt op zo’n moment wel eens iemand dat hij blij is dat hij terug mag komen van zijn geloveloosheid? Dat hij zich weer kan melden omdat God zijn belofte nooit heeft ingetrokken?

Gods woord staat. Dat hij zo goed is het me heel vaak voor te houden, betekent dat Hij weet hoe het bij me werkt. Voor de doop betekent dat wat mij betreft: je één keer laten dopen, en je redder trouw beloven (ben je niet als baby gedoopt, dan in dezelfde dienst).

Daarna laat je je wassen met Gods woord en Geest tot je schoon bent. Steeds weer het bad van de wedergeboorte in. En als je liefde voor Jezus opraakt, je geloof weglekt, en je wilt terug, openlijk terug naar het begin van jouw liefde: zijn liefde. Zijn trouw herschept de mijne.

David zong (Psalm 62,12): ‘Eenmaal heeft God gesproken, tweemaal heb ik het gehoord.’ Een telspreuk nodigt je uit verder te tellen: ik moet het twee, drie, duizend keer horen om te durven geloven dat hij zijn woord niet intrekt. Ik mag mijn geloof steeds weer harden in zijn trouw.

[Pro Ministerio 44,3 (sep 2015) p. 13]

Liberata semper liberanda

30 Oct

– Hé gast, jij bent vrijgemaakt toch? Vind je dat fijn?

Zeker, dat is best tof!

– Echt?

Ja man, ik zweer bij de kracht van Gods belofte, zó betrouwbaar. Mijn verlossing, mijn geloof – dat doet Híj allemaal! Genade – dat is helemaal God!

– Echt hè!

Hé, en het verbond dan, hoe koel is dat! Dat God iets met me begint, en ook op mij rekent.

– En gaat dat?

– Ja, altijd via Jezus hè? Die neemt me mee naar zijn Vader. Maar goed ook! En andersom net zo: voor God zit ik vast aan zijn Zoon.

De herontdekking van de tweezijdigheid van het verbond, de actieve kant van het geloof, de wederkerigheid in de kerkdienst. We leerden kinderen en jongeren de ruimte te geven. We ontwikkelden ons als ‘gemeenten van gelovigen en hun kinderen’. We vonden woorden voor onze eerbied. We lieten ons meenemen in missionaire vernieuwing. We stapten in de internationale oecumene en droomden van eenheid met Nederlandse kerken die drinken uit dezelfde bron.

Tegelijk: we kregen moeite met een andere dan heilshistorische benadering van de bijbel. De Geest viel samen met de woorden. De menselijke en historische kant van het schriftwoord werd problematisch en herkenning verdacht. Ons geloof verstijfde in de rationaliteit. Onze hang naar het collectieve maakte van ons geloof meer een kerkgeloof dan een persoonlijk geloof. Onze dadendrang verstikte gelofte en gebed en liet ons zondebesef uitdrogen.

De vrijgemaakte paradox.

Vriend, vind je het gek dat we niet alleen in de kerk maar ook graag in de preek willen zitten?

Had je niet verwacht dat we ons oor op de borst van God willen leggen en zijn hart willen horen en zijn Geest willen kennen?

Kijk je ervan op dat ook geloofsorganen als wil en verlangen, droom en gevoel, verbeelding en muziek hevig gaan jeuken?

Had je nou gehoopt dat de wegen van gebed, vernieuwing, ervaring en rust voor gelovigen niet aantrekkelijk zouden zijn?

Zag je niet aankomen dat er voelhorens van ontferming aan onze tucht zouden groeien?

Hé, met overvloedige genade gezegende mensen bij de buitendeur, hoe lang denk je dat het duurt voor we ontdekken dat echte gastvrijheid ook onszelf liefde kost?

Wie zou ons willen wijsmaken dat Met-ons-God het enige onderwerp in de heilsgeschiedenis wil zijn, de enige deelnemer aan het genadeverbond, en zijn stem het enige geluid in de bijbel –

[Pro Ministerio 44,2 (mei 2015) 12]

7.000.000

20 May

Hartstocht kan je zelfbeheersing breken. Dat kan veel verpesten, leert de pastorale praktijk.

Iemand krepeerde van de hoofdpijn. Zijn voorhoofds- en neusholten zaten vol. Hij hoorde op de radio dat je daar iets aan kunt doen door zout water op te snuiven. Omdat hij zijn hoofdpijn heel erg zat was, maakte hij heel erg zout water in een kopje, stak daar zijn neus in en snoof als een tyfoon. De binnenkant van zijn neus raakte daardoor zo beschadigd dat hij schreeuwend van pijn moest worden afgevoerd naar het ziekenhuis.

Een man met een ‘erectieprobleem’ had zin in erg veel seks. Hij nam wat viagrapillen extra. Dat werkte zo goed dat zijn erectie na twee dagen nog niet was gaan liggen. Al die tijd kon hij niet plassen. Dat ging pijn doen. Hij moest naar het ziekenhuis om zijn blaas operatief te laten leegmaken.

In 2005 hadden we de Deense cartoonrellen. Sindsdien is Charlie Hebdo zo ongeveer ‘het enige periodiek in Europa dat regelmatig cartoons publiceert waarin Mohammed (maar eigenlijk natuurlijk degenen die zeggen in Zijn naam te handelen) op de hak wordt genomen’ (Fred van Exter in Vrij Nederland, 17 januari 2015).

Toen kwamen ze die tekenaars doodschieten.

Dan strooien wij 7.000.000 Hebdo’s over de wereld.

Vrijheid van meningsuiting is niet getrouwd met een plicht tot kwetsen.

Zelfs het recht om te kwetsen vloeit niet traploos voort uit de vrijheid van meningsuiting. Van de vrijheid van meningsuiting naar het recht te kwetsen passeer je een grens: die tussen iemands mening en hemzelf.

Van een overtuiging kun je een karikatuur maken. Dat is iets anders dan iemand die een mening heeft die jou niet zint, pijnlijk beledigen.

Het recht om een ander pijn te doen is geen democratisch recht. Je bent vrij om met iemand van mening te verschillen, maar dat heft je morele plicht om de grenzen van de ander te respecteren niet op.

Dwaas om met een Hebdo-bom de vrijheid van meningsuiting te verbasteren tot een vorm van geweld tegen mensen die het slecht kunnen hebben dat hun profeet belachelijk wordt gemaakt.

Ik vraag me nu af: mijn vijand liefhebben – moest dat al voor of pas na de oorlog?

[Pro Ministerio 44 /1 (feb 2015) p. 9]